Informatica voor HAVO en VWO

Nieuwe pagina

II. Keuzethema’s

Domein G: Keuzethema Algoritmiek, berekenbaarheid en logica

Subdomein G1: Complexiteit van algoritmen

31. De kandidaat kan
• (in het havo-programma:) van gegeven algoritmen de complexiteit vergelijken, en kan klassieke ‘moeilijke’ problemen herkennen en benoemen.
• (in het vwo-programma:) het verschil tussen exponentiële en polynomiale complexiteit uitleggen, kan algoritmen op basis hiervan onderscheiden, en kan klassieke ‘moeilijke’ problemen herkennen en benoemen.

Subdomein G2: Berekenbaarheid

32. De kandidaat kan berekeningen op verschillende abstractieniveaus karakteriseren en relateren, en kan klassieke onberekenbare problemen herkennen en benoemen.

Subdomein G3: Logica

33. De kandidaat kan eigenschappen van digitale artefacten uitdrukken in logische formules.

Domein H: Keuzethema Databases

Subdomein H1: Informatiemodellering

34. De kandidaat kan een informatiemodel opstellen voor een eenvoudige praktische situatie en aan de hand hiervan een database definiëren.

Subdomein H2: Database paradigma’s

35. De kandidaat kan naast het relationele paradigma tenminste één ander database-paradigma beschrijven en kan voor een concrete toepassing de geschiktheid van de betreffende paradigma’s afwegen.

Subdomein H3: Linked data

36. De kandidaat kan in een toepassing data uit verschillende databases (databronnen) met elkaar in verband brengen.


Domein I: Keuzethema Cognitive computing

Subdomein I1: Intelligent gedrag

37. De kandidaat kan de processen die nodig zijn voor intelligent gedrag beschrijven en kan analyse- ren hoe deze processen in de informatica ingezet kunnen worden bij het ontwikkelen van digitale artefacten.

Subdomein I2: Kenmerken cognitive computing

38. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van cognitive computingsystemen uitleggen, en het verschil met traditionele digitale artefacten aangeven en kan van een probleem aangeven of de oplossing ervan zich leent voor een cognitive computing-aanpak.

Subdomein I3: Toepassen van cognitive computing

39. De kandidaat kan een eenvoudige toepassing realiseren met één of meer van de methodes en technologieën uit de cognitive computing.

Domein J: Keuzethema Programmeerparadigma’s

Subdomein J1: Alternatief programmeerparadigma

40. De kandidaat kan van minimaal één extra programmeerparadigma de kenmerken beschrijven en kan programma’s volgens dat paradigma ontwikkelen en evalueren.

Subdomein J2: Keuze van een programmeerparadigma

41. De kandidaat kan voor een gegeven probleem een afweging maken tussen paradigma’s voor het oplossen ervan.

Domein K: Keuzethema Computerarchitectuur

Subdomein K1: Booleaanse algebra

42. De kandidaat kan rekenen met formules in Booleaanse algebra.

Subdomein K2: Digitale schakelingen

43. De kandidaat kan eenvoudige digitale schakelingen op bit-niveau construeren.

Subdomein K3: Machinetaal

44. De kandidaat kan een eenvoudig programma in machinetaal schrijven aan de hand van de beschrijving van een instructieset-architectuur.

Subdomein K4: Variatie in computerarchitectuur

45. De kandidaat kan variatie in computerarchitectuur verklaren in termen van technologische ontwikkelingen en toepassingsdomeinen

Domein L: Keuzethema Netwerken

Subdomein L1: Netwerkcommunicatie

46. De kandidaat kan de manier waarop netwerkcomponenten met elkaar communiceren beschrijven en analyseren, en kan schalingseffecten bij communicatie herkennen, er voorbeelden van geven en de gevolgen ervan uitleggen.

Subdomein L2: Internet

47. De kandidaat kan de basisprincipes van het internet als netwerk uitleggen en aangeven welke gevolgen dit heeft voor toepassingen en voor gebruikers

Subdomein L3: Distributie

48. De kandidaat kan vormen van samenwerking en verdeling van functies en gegevens in netwerken beschrijven.

Subdomein L4: Netwerksecurity

49. De kandidaat kan gevaren van inbreuk op gedistribueerde functies en gegevens analyseren, en maatregelen adviseren die deze inbreuk tegengaan.

Domein M: Keuzethema Physical computing

Subdomein M1: Sensoren en actuatoren

50. De kandidaat kan sensoren en actuatoren waarmee een computersysteem de fysieke omgeving kan waarnemen en aansturen herkennen en functioneel beschrijven.

Subdomein M2: Ontwikkeling physical computing componenten

51. De kandidaat kan fysieke systemen en processen modelleren met het oog op real time besturings- aspecten en kan met behulp van deze modellen, sensoren en actuatoren een computersysteem ontwikkelen om fysieke systemen en processen te bewaken en besturen.

Domein N: Keuzethema Security

Subdomein N1: Risicoanalyse

52. De kandidaat kan risico’s, bedreigingen en kwetsbaarheden in een ict- toepassing analyseren en kan daarbij zowel technische als menselijke factoren betrekken.

Subdomein N2: Maatregelen

53. De kandidaat kan keuzen voor technische en organisatorische maatregelen ter vergroting van de security verklaren.

Domein O: Keuzethema Usability

Subdomein O1: Gebruikersinterfaces

54. De kandidaat kan de werking van gebruikersinterfaces beschrijven en verklaren aan de hand van cognitieve en biologische modellen.

Subdomein O2: Gebruikersonderzoek

55. De kandidaat kan gebruikersinterfaces van digitale artefacten evalueren via gebruikersonderzoek.

Subdomein O3: Ontwerp

56. De kandidaat kan elementen van een gebruikersinterface ontwerpen.

Domein P: Keuzethema User Experience

Subdomein P1: Analyse

57. De kandidaat kan de relatie tussen ontwerpkeuzes van een interactief digitaal artefact en de verwachte cognitieve, gedragsmatige en affectieve veranderingen of ervaringen verklaren.

Subdomein P2: Ontwerp

58. De kandidaat kan voor een digitaal artefact de gebruikersinteractie vormgeven, de ontwerpbeslis- singen verantwoorden en voor een eenvoudige toepassing implementeren.


Domein Q: Keuzethema Maatschappelijke en individuele invloed van informatica

Subdomein Q1: Maatschappelijke invloed

59. De kandidaat kan positieve en negatieve effecten van informatica en de genetwerkte samenleving op individueel en sociaal leven verklaren en voorspellen.

Subdomein Q2: Juridische aspecten

60. De kandidaat kan juridische aspecten van de toepassing van informatica in de samenleving analyseren.

Subdomein Q3: Privacy

61. De kandidaat kan effecten van technische, juridische en sociale maatregelen voor privacy- gerelateerde kwesties onderzoeken.

Subdomein Q4: Cultuur

62. De kandidaat kan redeneren over de invloed van informatica op culturele uitingen.

Domein R: Keuzethema Computational Science

Subdomein R1: Modelleren

63. De kandidaat kan aspecten van een andere wetenschappelijke discipline modelleren in computatio- nele termen.

Subdomein R2: Simuleren

64. De kandidaat kan modellen en simulaties construeren en gebruiken voor het onderzoeken van verschijnselen in die andere wetenschap.